Omar en zijn gezin ontvluchtten het Syrische oorlogsgeweld. Ze wilden hun drie kinderen een leefbare toekomst bieden. Drie maanden geleden, toen ze het statuut van erkend vluchteling kregen, verbleven ze in een opvangcentrum voor vluchtelingen. Omar heeft een talenknobbel. Hij leerde al snel wat Nederlands en vond een job in een restaurant.

Twee maanden na hun erkenning moesten ze alweer weg uit het opvangcentrum. Zo gaat dat…

 

Twee maanden is kort om een woning te vinden, zeker met een onderbetaald loon en drie kinderen.

 

De laatste maand trekken ze met al hun zakken rond op straat. Slapen doen ze in de nachtopvang, bij familie of vrienden of, als ze nergens terecht kunnen, op straat. Overdag kunnen ze terecht in de inloopcentra maar die sluiten de deuren al om 17u. Vaak zijn ze daarna genoodzaakt nog enkele uren buiten door te brengen, tot ze ergens terecht kunnen om te overnachten.

 

Ze zoeken intensief naar een woning, maar door zijn moeilijke werkuren lukt het Omar meestal niet om een afspraak  te maken om een woning te bezichtigen. En hij wil liever niet dat Samira alleen huizen gaat bekijken. Niet alle huisbazen lijken hem betrouwbaar. Daardoor lopen ze vaak de kans op een woning mis. 

 

Opeens vindt Omar dan toch een huisbaas die bereid is een appartement aan hen te verhuren. Maar die wil de huurwaarborg wel contant in de hand. Het CAW en het OCMW kunnen hen op die manier natuurlijk niet helpen met het voorschieten van de waarborg. 

Veel onderhandelen, wat druk van het OCMW… uiteindelijk gaat de eigenaar dan toch overstag om de huurwaarborg op een geblokkeerde rekening te aanvaarden.

 

Na een maand op straat heeft het gezin eindelijk een woning. Ze betalen 650€ voor een appartement met twee slaapkamers. Eén voor Rohat, Hanna en Zarrah en één  voor Omar en Samira. De keuken en badkamer zijn afgeleefd, de muren zijn beschimmeld en het plafond zit vol vochtvlekken. Maar ze klagen niet, alles is beter dan de straat.